maandag 24 juli 2017

Jhr. Mr. D.T. Gevers van Endegeest (1793-1877), tekenende schutter, 1831-1833


Daniël Theodoor Gevers van Endegeest (Rotterdam 1793 - Oegstgeest 1877) was een conservatieve negentiende-eeuwse politicus uit een Rotterdams regentengeslacht. Advocaat en ambtenaar in Den Haag. In de periode 1838-1858 was hij lid van de Tweede Kamer, voorzitter Tweede Kamer, lid Eerste Kamer, en van 1856-18858 minister van Buitenlandse Zaken in het conservatieve kabinet-Van der Brugghen I. Hij had als commissievoorzitter rond 1840 een belangrijk aandeel in de droogmaking van de Haarlemmermeer. Als ambachtsheer van Oegstgeest deed hij veel aan liefdadigheid en in die zin was hij een typische patriarchale landheer van de oude stempel. In de jaren tot 1848 gematigd voorstander van hervormingen. Keerde zich in 1848 echter tegen de Grondwetsherziening, maar paste zich daarna weer snel aan de nieuwe omstandigheden aan.
Van verschillende reizen die Gevers privé of voor zijn werk maakte, zijn reisverslagen bewaard gebleven. Hij maakte vanaf 1813 ook tekeningen, vooral topografische schetsen, die waarschijnlijk later zijn uitgewerkt.

 afb. 1

In de jaren 1831-1833 was hij als schutter van de Haagse Schutterij betrokken bij de schermutselingen tussen Nederland en het opstandige België. Gedurende deze tijd verbleef hij in West- en Midden-Brabant waar hij 85 tekeningen maakte. Als artistieke producten hebben deze schetsen geen groot belang, maar als pretentieloze topografische registraties van het toenmalige Brabant des te meer. De tekeningen worden bewaard in de Atlas van Stolk in Rotterdam. Een aantal is in 1950 gekopieerd door Paula Sloet tot Everlo O.S.B. en deze bevinden zich in de Brabantcollectie van Tilburg University.

Het Nederlandse leger heeft de maanden voor de Tiendaagse Veldtocht uitgebreid oefeningen gehouden in de buurt van Breda, Tilburg en Eindhoven. In Oisterwijk tekende hij in 1831 een ‘BierStekers Kar’, de Hondsberg, het stadhuis op de Lind en een gezicht op de kerk aldaar. Op 18 juni 1831 tekende hij het kamp Rijen op het moment dat prins Frederik het tentenkamp binnenrijdt. Rechts ‘Tenten der Haagsche Schuttery, vlaggende met de oranje Zakdoeken van Captein Rengers en met den Strooijen Schutter’. In juli maakte hij nog twee tekeningen van kamp Rijen.
 afb. 2

 afb. 3

 afb. 4


In oktober 1831 maakte hij een tekening van ‘De plas naby Goirle, waardoor de Goirlese watermolen gaat’ en even later een tekening van ‘een December Mistdag, aan de watermolen Wacht te Goirle 1831'

  afb. 5
  afb. 6
 
Na de Tiendaagse Veldtocht in augustus 1831 werd de Nederlandse legermacht in Brabant gehandhaafd. Nieuwjaar 1832 wordt gevierd op de weg tussen Breda en Tilburg en hij tekende een ‘Arbeiders Huisje aan den Straatweg bij Tilburg, al waar het Bataillon, op marsch Zijnde, een poos halte hield op 1 Januari 1832. – mooij halte! En vermakelijke nieuwJaarsdag!! Toch Oranje boven!!!!’ Hij tekende ook nog een tweede arbeidershuisje aldaar.

 afb. 7
  afb. 8
 
Een wel heel mooie gewassen pentekening maakte hij ‘Te Tilburg op den Heuvel, tegen over de Zwaan (octob 1832) gezien uit de Zwaan op de markt’ [= Heuvel].


 afb. 9
 
Literatuur en bronnen:
- https://www.parlement.com/id/vg09ll10qp49/d_th_gevers_van_endegeest
- J.C. Nix, Jhr. Mr. D.T. Gevers van Endegeest en de Belgische Opstand. Tekeningen van een Haagse Schutter 1831-1833 (Alphen aan de Rijn / Breda, 1983.

Afbeeldingen:1. Jhr. Mr. D.T. Gevers van Endegeest (1793-1877). (Coll. Fotoarchief Eerste Kamer).
2. Geaquarelleerde pentekening kamp Rijen, 18 juni 1831. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
3. Geaquarelleerde pentekening kamp Rijen, 6 juli 1831. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
4 Geaquarelleerde pentekening kamp Rijen, 18 juni 1831. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).

5. Geaquarelleerde pentekening De Vloed met kerk bij Goirle, oktober 1831. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
6. Geaquarelleerde pentekening de watermolen te Goirle, december 1831. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
7. Geaquarelleerde pentekening arbeidershuisje Bredaseweg Tilburg, 1 januari 1832. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
8. Geaquarelleerde pentekening arbeidershuisje Bredaseweg Tilburg, 1 januari 1832. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
9. Grijs gewassen pentekening herbergen op de Heuvel, oktober 1832. (Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).

Auteur: Ronald Peeters, voormalig hoofd Stadsmuseum Tilburg en auteur. Hij beschreef ook de Stadscollectie Tilburg van Stadsmuseum Tilburg.

vrijdag 21 juli 2017

Utrechtse Vrijwillige Jagers in Tilburg


Tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1831 was er een Compagnie Vrijwillige Jagers van de Utrechtse Hogeschool in Tilburg gevestigd. In de Utrechtsche Studenten Almanak voor het jaar 1832, werd een toneelstukje opgenomen getiteld ‘De Hoofdwacht te Tilburg’. Daarbij was ook deze litho (gevouwen) gevoegd. Van deze litho zijn twee identieke exemplaren in de Stadscollectie Tilburg bewaard gebleven (SMT00955 en SMT00956).


   afb. 1

Het toneelstuk begint als volgt: ‘Het tooneel is op den heuvel; eenige groepen Jagers zitten onder den grooten lindeboom aan tafeltjes thee te drinken, anderen staan in de deur van het wachthuis, in de herbergen, of loopen rond. Het is tusschen 7 en 8 ure des avonds.’
Het gaat er allemaal gemoedelijk aan toe. Een fragment: ‘Een Korporaal. Zoo jongen, bonjour! Hoe gaat het, wij ontmoeten ons ook nog al eens op de wacht. De andere. Och ja!... maar apropos, zijt gij gisteren ook nog in den Roskam geweest? Vink heeft ons regt geamuseerd. Eerst de volksliederen, toen het heerlijke o santtissima! Dat men nog heeft moeten herhalen; Körners lied: Der Ritter muss., ja, ik weet niet wat al meer.’
Al deze taferelen zijn op de litho afgebeeld. Rechts in het midden een afbeelding van een militaire wagen met opschrift: ‘KOMPAGNIE VRIJW JAGERS DER / UTRECHTSCHE HOOGESCHOOL’.

L.C. Hora Siccama is de ontwerper van de litho; Vos de lithograaf; J.W. Desguerrois en Co. De steendrukker, en J. van Schoonhoven en N. van der Monde te Utrecht de uitgever van de almanak.
Gesigneerd linksonder: ‘L.C.H.S. del.’, midden onder: ‘Vos Lith.’ En rechtsonder: ‘Lith. Desguerrois en CO.’


Een litho uit 1832 van deze ‘Hoodwacht te Tilburg’ (Heuvel met lindeboom en latere pastorie) met daarop een compagnie van vrijwillige jagers bevindt zich in de collectie van het Regionaal Archief Tilburg (zie afbeelding in blog over de Utrechtse jager Costerus).


afb. 2

Literatuur en bronnen:
- G. van Rijn en C. van Ommeren, Atlas van Stolk. Katalogus der Historie-, Spot- en Zinneprenten betreffende de geschiedenis van Nederland (’s-Gravenhage, 1895-1933, tien delen), nr. 7088.
- Utrechtsche Studenten Almanak voor het jaar 1832 (Utrecht, J. van Schoonhoven en N. van der Monde, 1832), p. 305-310.

Afbeeldingen

1. Litho taferelen uit toneelstuk ‘De Hoofdwacht te Tilburg’, 1831. (Stadscollectie Tilburg, SMT00955).
2. Titelblad Utrechtsche Studenten Almanak voor het jaar 1832. (Coll. auteur).

Auteur: Ronald Peeters, voormalig hoofd Stadsmuseum Tilburg en auteur. Hij beschreef ook de Stadscollectie Tilburg van Stadsmuseum Tilburg.

donderdag 20 juli 2017

'Vaarwel vrienden!' Aanspraken aan vrijwillige jagers van de Utrechtse Hogeschool

Indeling Utrechtse vrijwillige jagers
H. Eskuchen  1831
Uit onderzoek naar de Tiendaagse Veldtocht blijkt dat er vanuit Nederland zich een aantal studenten vrijwillig aanbood om mee te doen aan de 'oorlog' tussen Nederland en België. Er is een onderscheid te maken tussen dienstplichtigen die vaak weinig notie hadden van nationale bedoelingen. De studenten daarentegen waren fanatiek en bereid om offers te brengen ten aanzien van het vaderland.

In gelegenheidsdocumenten kennen we de zogeheten 'aanspraken', ofwel toespraken op het moment dat de vrijwillige militairen vertrokken naar het 'oorlogsgebied'. In dit geval hebben we een document waarin de vrijwillige jagers, ofwel studenten van de Utrechtse Hogeschool worden aangesproken. Het is 1 augustus 1831 aan de grens met België bij het Brabantse Hilvarenbeek.

De redenaar spreekt de vertrekkende studenten nog eens toe vanaf vaderlandse bodem en zegt hen vaarwel. De studenten hebben blijkbaar al veel inzet getoond en zich op voorhand opgeofferd aan het belang van hun vaderland. Naar het voorbeeld van een krijgsman leerden de studenten o.a. door wapenoefening, zedelijk gedrag en braafheid, volharding en standvastigheid. 'Hebt moed, vrienden!'

Het landgoed Gorp, tussen Goirle en Hilvarenbeek,
ligt aan de grens Nederland-België.
Gerefereerd wordt aan Griekse krijgsbevelhebbers, en dat de prijzen der overwinning in het midden lagen tussen 'ons' en de 'vijanden'. De toegesproken 'vrienden' zouden gevaren tegemoet treden waarin het op leven of dood zou aankomen.

Het was de stem des vaderlands, de stem van 'onzen heiligen godsdienst'. De strijd betrof de eer van het vaderland en na een moedige kamp voor de schoonste zaak werden de Utrechtse studenten zegevierend terug verwacht.

'Vaarwel en denkt aan ons: wij zullen u, dit weet gij, dag en nacht en overal in gedachte vergezellen en Gode aanbevelen. Vaarwel, vrienden.'

Uit deze afscheidsreden blijkt in ieder geval dat het vaderland het letterlijke vertrekpunt is voor de studenten. De referentie aan de Griekse machten en het eerbetoon aan het vadderland, geven aan dat het hier om een vroege vorm van nationalisme gaat. Omdat het om een vergelijkend onderzoek gaat naar de verscillen en overeenkomsten tussen de Nederlanders en de Belgen, zal ik nagaan of er vanuit België evenzo aanspraken werden gemaakt aan de ten oorlog strijdende vrijwilligers / studenten.


Petra Robben, MA-student Open Universiteit, doet onderzoek naar overeenkomsten en verschillen van nationalistische uitingen van de Belgen en de Nederlanders rondom de Tiendaagse Veldtocht in 1831. Reacties op de blogposts zijn welkom. Stuur gerust een mail!

dinsdag 18 juli 2017

Proclamaties en Manifesten: Aan het 'kloekmoedige' Brusselse volk

Archief Koninklijk Museum
van het Leger en de Krijgsgeschiedenis
Fonds 1830-1839, doos 19
In het archief van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis in Brussel, gelegen in het Jubelpark, gingen mede-onderzoeker Ans Holman en ik op zoek naar bronnen over de Tiendaagse Veldtocht, in België 'Dix jours de campagne' genoemd.

We stuitten op enkele proclamaties die voorafgaand aan de veldtocht in 1831, gericht waren aan het 'kloekmoedige' volk van Brussel. De afzender was de Association Nationale Belge, ofwel de Nationale Belgische Vereeniging.

Een van de proclamaties begon met de uitroep: 'Wij zijn mannen van de Revolutie!' Het Comité van de Belgische Vereeniging wilde dat het volk naar hen luisterde. Ze hadden hen immers nooit bedrogen, zo werd gesteld. De gezamenlijke vijand waren de Hollanders of de Orangisten, de Holland-gezindten, die inmiddels met succes verdreven waren. Tegen deze 'verraders' wilde de association echter geen wraakacties meer.

'Blijf altijd de Belgen van September, een weldenkend en edelmoedig volk. Verlaat de plunderaars, stille en vreedzame burgers,' zo werden de Belgen aangesproken.

De proclamatie werd besloten met de uitroep: oorlog tegen de koning van Holland, maar eerbied voor de eigendommen! Handhaving van de goede orde en de rust was geboden, anders zou de ware vrijheid onmogelijk zijn, aldus het Comité van de Belgische Vereniging op 28 maart 1831.

Archief Koninklijk Museum
van het Leger en de Krijgsgeschiedenis
Fonds 1830-1839, doos 19
Een maand later, 20 april 1831, werd het volk van Brussel wederom aangesproken om trouw te blijven aan de Belgische revolutie, ondanks de mogelijkheid dat de Hollanders hun land zouden binnenvallen. De leden van de vereniging streefden naar de grootste offers voor vrijheid en nationale onafhankelijkheid. De Brusselnaren werd gevraagd hen te geloven en naar hun advies te luisteren. De proclamatie besloot met: 'Winnaars van September, bederf niet onze glorieuze revolutie'.

Via deze proclamaties en manifesten werden de Belgen opgeroepen tot trouw aan de revolutie. De strijd werd gezamenlijk gestreden: als 'compatriotes, amis en frères'. Vive la Belgique! Vive la Liberté en Vive l'Indépendence!

Of de Nederlanders op een soortgelijke wijze elkaar aanspraken ben ik in mijn onderzoek tot nu toe nog niet tegengekomen. Er zijn wel aanspraken, maar daarbij worden de studenten toegesproken door iemand van een hogere orde. In een volgende blogpost zal ik die eens voor het voetlicht brengen.

Petra Robben, MA-student Open Universiteit, doet onderzoek naar overeenkomsten en verschillen bij de Belgen en de Nederlanders rondom de Tiendaagse Veldtocht in 1831. Reacties op de blogposts zijn welkom. Stuur gerust een mail!



maandag 10 juli 2017

Vrijwilligers en dienstplichtigen: een wereld van verschil

Veel verhalen over de Tiendaagse veldtocht kennen we uit de dagboeken van de Studenten Vrijwilligers. Vaak klinkt in deze dagboeken door hoe zelfingenomen ze waren. In de weinige dagboeken die bekend zijn van ‘gewonen soldaten’ wordt geen verslag gedaan van uitgebreide maaltijden, het interieur van de gastheer of drankgelag. Hier gaat het over verveling, vervuilde inkwartieringsplaatsen, schaarste, ziekte en de provoost.

Het oplevend patriottisme dat zoveel studenten in beweging gebracht had klonk niet door in alle lagen van de bevolking. Voor degene die zich geen remplacement konden veroorloven was het verplichte verblijf in het leger een jarenlange hinderlijke onderbreking van het dagelijkse leven en geen verheven ideaal voor koning, volk en vaderland. De gemiddelde soldaat  had weinig nationaal sentiment want de meesten waren laag geschoold en weinig kaas gegeten van politiek of staatszaken.


Tot 1898 bestond er voor de dienstplichtige jongens de mogelijkheid de diensttijd te laten vervullen door een vervanger, het remplacement. Een plaatsvervanger nam, tegen betaling, de plaats in.
Vooral in de hogere kringen werd er de voorkeur aan gegeven om de zonen niet persoonlijk hun dienstplicht te laten vervullen. De studie kon afgewerkt worden zonder jarenlange onderbreking vanwege dienstplicht. Daarnaast was er zeker sprake van een standenmaatschappij, door de diensttijd te vermijden hoefde deze studenten zich ook niet op te houden met ‘onwetend volk’.
Studenten, die eerder hun dienstplicht doorschoven naar een lagere stand, nemen in 1831 dienst vervuld met patriottisme, om voor volk en vaderland te dienen. Maar dit dienen gebeurt wel  in vrijwilligerskorpsen met de eigen klasse, gescheiden van de dienstplichtige soldaten.

Bron: van Roon E.W.R. (2013) Lotgevallen: De beleving van de dienstplicht door de Nederlandse bevolking in de negentiende eeuw
Afbeelding: Spotprent op de verbaasde Belgen in hun blauwe kielen die verrast worden als de Nederlandse militair over de grens stapt bij Baarle-Nassau/Baarle-Duc. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht, 2-12 augustus 1831. ( Coll. Rijksmuseum, Amsterdam, maker anoniem)

zondag 9 juli 2017

De Utrechtse Vrijwillige Jager Pieter Jacob Costerus (1806-1862) in Tilburg, 1831

Tijdens de Belgische kwestie in de jaren 1830-1831 waren er heel wat troepen in het zuiden van ons land geconcentreerd. Hierbij werden ook vrijwillige Utrechtse en Leidse studenten ingezet. De Tiendaagse Veldtocht in augustus 1831 zou een definitieve scheiding van noord en zuid tot gevolg hebben.

Afb. 1
Onder die vrijwilligers bevond zich Pieter Jacob Costerus, de op 3 oktober 1806 geboren zoon van de Edamse burgemeester. Hij was student aan de Utrechtse Hogeschool, waar hij aanvankelijk voor predikant studeerde, maar later promoveerde tot doctor in de letteren op het proefschrift In Euripideae Philosophiae locum, qui est de amore. Als lid van deze Utrechtse Vrijwillige Jagers heeft hij nauwelijks aan de gevechten deelgenomen. Zijn brieven en dagboek zijn bewaard gebleven en in 1917 door zijn zoon dr. J.C. Costerus in samenwerking met dr. M.G. de Boer in druk uitgegeven.

Vele brieven zijn vanuit Tilburg geschreven, de plaats waar hij van januari tot half april 1831 was ingekwartierd. Op 4 februari 1831 meldt hij in zijn dagboek: ‘Ik bezigtigde op dezen dag de voornaamste lakenfabriek, welke zich te Tilburg bevindt. Dezelve behoort aan den heer Jellinghaus & Comp. Vóór de omwenteling, waarvan wij de gevolgen nog moeten zien, genoten de fabrieken alhier een matig debiet, maar sedert den opstand in België, waardoor de fabrieken te Verviers natuurlijk van de leveranciers van het gouvernement verstoken zijn, is de drukte, bij de verbazende behoeften van het leger, zoo ontzettend toegenomen, dat bij genoemde firma, alleen in de fabriek 400 en buiten dezelve nog 1200 menschen werkzaam zijn. Het was voor mij inderdaad een belangrijk gezigt, de wol, waarvan wij laken dragen, in allerlei gedaanten te zien en langzamerhand tot haar gewigtige bestemming te zien naderen’.



Op 22 maart 1831 schrijft hij vanuit Tilburg ‘Weken achtereen niets anders te doen te hebben, dan
Afb. 2
twee malen daags een appèl bij te wonen, dat een 1/4 uur duurt’. Hij zou graag boeken tot zijn beschikking hebben om de tijd door te komen. Al was het zelfs de niet veel betekende bibliotheek van ds. Van der Ven aan het thuisfront: ‘ware zij hier, zij zou voor mij een kostelijke schat zijn’, zo schrijft hij. En over Tilburg zegt hij verder: ‘In eene plaats als deze, met circa 12.000 bewoners, heb ik nog maar éénen boekverkooper gezien, indien men namelijk met dezen naam mag bestempelen eenen man, die behalve wit papier en chitsen vellen, gebedenboeken voor Roomschen en schoolboeken voor kinderen ter koop aanbiedt en wiens keurigste werk misschien bestaat in de geschiedenis der bekeering van eenen jood, tot ? raadt eens, natuurlijk, tot het Roomsche geloof’. Vermoedelijk wordt met deze boekverkoper A. van der Voort aan de Markt bedoeld.
Afb. 3
Over Tilburg heeft Costerus niet veel goeds geschreven. De verveling heeft hem danig parten gespeeld. Hij is dan ook verheugd dat hij in april 1831 naar Eindhoven mocht vertrekken:
‘Niemand ten minste blijder dan ik, toen ik vernam, dat wij naar Eindhoven zouden gaan. De schrale, smeerige, onsmakelijke, eentoonige maaltijden; de lage vrekheid van onze hospita; de onbegrijpelijke geesteloosheid der kinderen, ziet, deze dingen maakten op zich zelve het huisselijk leven ongenoegelijk. Doch dit was niet alles. Indien al gansch Noord-Brabant in ergerlijken priesterdwang zucht, indien men al in dat uitgestrekte gewest nergens verhevene denkbeelden ontmoet, op geene plaats voorzeker is de domkopperij grooter, op geene plaats het gebrek aan edele grondbeginselen meer zigtbaar, dan te Tilburg’.

Van de verdere loopbaan van Pieter Jacob Costerus is bekend dat hij van 1833-1835 conrector was van de Latijnse scholen te Oldenzaal, tot 1840 te Hoorn en tot 1843 eveneens te Arnhem. Daarna werd hij rector van de Latijnse school te Sneek, alwaar hij op 16 maart 1862 overleed. Costerus heeft nog literaire, historische en ‘algemeen maatschappelijke’ geschriften gepubliceerd.

Bronnen
  • Dr. M.G. de Boer en dr. J.C. Costerus, Brieven en dagboek van den Utrechtschen Vrijwilligen Jager Pieter Jacob Costerus 1830 en 1831 (Amsterdam 1917).
  • Ronald Peeters, De Paap van Gramschap. Vier eeuwen schrijven en drukken in Tilburg (Tilburg, 1992), p. 38-39. Ook op: http://www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap/c.htm#Costerus,_Pieter_Jacob
  • Marcel C.A. van der Heijden, Lys Sint Mourel en andere Tilburgse schatten. Tilburg in het werk van enkele schrijvers (Tilburg, Jan van Laarhoven B.V., 1994), p. 33-36 (‘Brieven en dagboek. Pieter Costerus'’.

Afbeeldingen
  1. Pieter Jacob Costerus (1806-1862). (Coll. Ronald Peeters)
  2. De Hoofdwacht op de Heuvel in Tilburg met Utrechtse Vrijwillige Jagers, 1831. Litho M.A. van Straaten (steendruk Houtman te Utrecht). (Coll. Regionaal Archief Tilburg).
  3. Het wachthuis ‘De Nachtegaal’ aan de Koestraat in Tilburg, 1831. Litho Desguerrois naar L.C. Hora Siccema. (Coll. Regionaal Archief Tilburg).

Auteur: Ronald Peeters, voormalig hoofd Stadsmuseum Tilburg en auteur. Hij beschreef ook de Stadscollectie Tilburg van Stadsmuseum Tilburg.


Tiendaagse Veldtocht, op Hollandse klompen of oranje gekleurd?

In Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830 noemde de Belgische auteur Johan Op de Beeck het hoofdstuk over de Tiendaagse Veltocht 'Oorlog op klompen'. In eerste instantie dacht ik dat er de Nederlanders, ofwel de Hollanders, mee werden aangeduid. Het bleek echter om de Belgen te gaan.

Toen de Nederlanders België binnenvielen, hadden zij al een eigen koning geïnstalleerd. Deze had echter niet gerekend op alsnog een inval van Koning Willem I. De grensbewoners schrokken zich een hoedje, zo schrijft Op de Beeck. 'De vrouwen zetten hun melkkruiken op de grond en de mannen lieten de pijp even voor wat die was,' zo geeft de auteur een mooie schets van het dagelijks leven. Willem I had niet eens gewaarschuwd dat hij België zou binnenvallen. Wel had hij gezegd dat wanneer Leopold de troon zou aanvaarden, hij dat als een vijandige daad zou beschouwen. Dat dreigement maakte volgens Op de Beeck geen indruk. In Brussel werd gesteld dat 'enige soldaten op klompen' die voorzien waren van stokken, genoeg zou zijn om de Hollanders te overwinnen.

De Nederlanders daarentegen hadden zich maandenlang voorbereid. Vrijwilligers en schutterijen waren opgeroepen en richting België gegaan. Volgens Op de Beeck was niet duidelijk wat nou precies het hoofddoel was. België terugveroveren was nauwelijks een optie. Boven de Moerdijk zou België verwenst en vervloekt worden. Op de Beeck stelt dat de nadruk lag op het eerherstel. De eer van de natie moest gered, en het veelbezongen vaderland met Van Speijk als recente held, moest verdedigd worden.

Het Belgische leger streed wellicht niet zozeer op klompen, maar was allesbehalve professioneel te noemen. Was de getalsterkte een van de problemen, daarnaast was ook de kwaliteit niet opperbest. Het leger was volgens Op de Beeck in grote haast samengesteld. Er werden snelle promoties en bliksemcarrières gemaakt vanuit de lagere rangen. Budget was er nauwelijks vrijgemaakt voor een strijdbaar leger en in vier maanden tijd kwam er drie keer een nieuwe minister van Oorlog.

Tafereel Tiendaagse Veldtocht
Wouter Verschuur (Amsterdam 1812- Vorden 1874)
Collectie Rijksmuseum Amsterdam
De Nederlanders mochten dan beter geoutilleerd zijn dan hun zuidelijke vijand, ook zij waren niet optimaal uitgerust, letterlijk genomen. De Tiendaagse vond plaats in de eerste dagen van augustus en het was ontzettend warm. 's Nachts was het echter vochtig en kil in de moerassige gebieden waar hun kampementen waren opgeslagen. Overdag steeg de temperatuur tot boven de dertig graden en eten en drinken waren weinig voorhanden.

De Tiendaagse Veldtocht was in alle opzichten een ongelijke strijd. Het duurde drie volle dagen voordat koning Leopold in de gaten had dat de Nederlandse hoofdmacht niet bij Antwerpen was, maar meer in het oosten van België. Toen de Nederlanders Hasselt wilden aanvallen met Prins Willem van Oranje als leider, waren de tegenstanders onder leiding van de Belgische generaal Daine, al verdwenen. In de achtervolging op de gevluchte Belgen vonden de Nederlanders afgeworpen ransels en geweren, waardoor zij zich sneller uit de voeten hadden gemaakt. Opvallender was echter de vondst van oranjekleurige officierssjerpen, afkomstig van Belgische officieren die zich stiekem hadden voorbereid op wellicht een overgave aan het Nederlandse leger. De Tiendaagse Veldtocht was dan niet een oorlog op Hollandse klompen, maar had hier en daar toch een oranje tintje.

Bron: 'Oorlog op klompen' in Johan Op de Beeck, Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830 (Antwerpen, 2015) pp. 397-413.

Auteur: Petra Robben, MA-student Open Universiteit, doet onderzoek naar uitingen van nationalisme bij Nederland en België rondom de Tiendaagse Veldtocht in 1831. Daarnaast is Petra Robben beheerder van de stadscollectie bij Stadsmuseum Tilburg.